Zo simpel is het niet. Vrijwel iedere gemeente hanteert in de apv het volgende:
“Zonder ontheffing/vergunning rijden of zich bevinden met een motorvoertuig/(brom)fiets of een paard binnen een voor publiek toegankelijk natuurgebied, park, plantsoen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen”
Daaraan meestal toegevoegd dat er een uitzondering is voor wegen als bedoeld in de wegenverkeerswet.
En daar zit de onduidelijkheid: wanneer is een weg een weg? Daarvoor moet je rekening houden met een uitspraak van de Raad van State. Die heeft de onduidelijkheid beperkt met de volgende uitspraak: “verkeersbanen die een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het openbare verkeer en die derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen”.
Die uitspraak sluit dus ook recreatieve paden in een park uit, want naar aard en functie is meestal wel duidelijk dat het geen doorgaande weg is. Ook kan een gemeente in de wegenlegger aangeven dat een weg aan de openbaarheid is onttrokken. Daarvoor moet je dus eerst de wegenlegger raadplegen.
Het idee ‘er staat geen bord dat het niet mag’ gaat dus niet helemaal op.